zondag 13 januari 2013

Algemeen leesverslag bij Oeroeg van Hella S. Haasse


Oeroeg
Oeroeg, Haase, Hella S. 1948, Em. Querido’s Uitgeverij B.V, Amsterdam, 88 pagina’s, roman

Samenvatting
De ik-figuur denkt aan zijn jeugd in Nederlands-Indië.

De ik-figuur (zijn naam komen we niet te weten) speelt veel samen met de Indonesische Oeroeg. Het liefst spelen ze op de kampong bij het huis van Oeroeg. De vader van de ik-figuur vindt dat zijn zoon door zijn vriendschap met Oeroeg te weinig Nederlands praat. Ieder Nederlands woord wordt afgewisseld met een Soendanees woord. Vader en moeder besluiten dat de ik-figuur tot aan het schooljaar (hij is immers al zes jaar) enkele uren per dag privéles krijgt om zijn Nederlandse taal op te vijzelen. Oeroeg is erg nieuwsgierig naar de lessen en volgt ze dan ook via een open raam. De lessen van meneer Bollinger hebben resultaat, maar zelfs jaren later heeft de ik-figuur nog een Soendanees accent. De vader van de ik-figuur heeft liever dat zijn zoon niet meer op de kampong speelt. Oeroeg moet maar bij hun huis op Kebon Djati komen spelen. De ik-figuur speelt liever niet thuis, maar Oeroeg vindt het prima.

Er worden voorbereidingen getroffen voor het eerste schooljaar van de ik-figuur. Hij krijgt nieuwe kleren en schoenen. Van zijn vader krijgt hij een echte schooltas. De ik-figuur reist vanaf  nu iedere dag met de trein naar zijn school in Soekaboemi. Hij is wel teleurgesteld dat Oeroeg niet naar dezelfde school als die van hem gaat. De moeder van de ik-figuur verklaart dat dat logisch is, want Oeroeg is immers een inlandse jongen.

Op een dag krijgen Oeroegs ouders visite. De bezoekers, waaronder meneer Bollinger, dineren bij het gezin. Later wordt voorgesteld om een rit te maken naar Telaga Hideung (=het Zwarte Meer). De ik-figuur wordt enthousiast. Hij kent het Zwarte Meer alleen van spannende verhalen, waarin gesproken wordt over monsters en spoken. Bij wijze van uitzondering mag de ik-figuur mee. Onderweg worden Deppoh en de tuinman Danoeh met de auto opgepikt. Bij aankomst is de ik-figuur enigszins teleurgesteld. Het meer is niet zo eng als hij verwacht had. De heren nemen hun badkleding mee naar een bamboehuisje aan het water. De ik-figuur en de dames klimmen op een vlot, terwijl de heren zich in het bamboehuisje omkleden. Na een korte zwempartij klimmen de mannen ook op het vlot. De heren spelen haasje-over en willen jonassen. Door de wilde bewegingen van de volwassenen, scheurt het vlot en valt de ik-figuur in het donkere water....

De ik-figuur ontwaakt in zijn bed. Hij denkt dat hij alles gedroomd heeft, maar niets is minder waar. Na de val van het vlot is de ik-figuur bewusteloos te water geraakt. Deppoh is bij de reddingsactie om de ik-figuur te vinden, overleden . De ik-figuur voelt zich schuldig dat de vader van zijn beste vriend is gestorven om hèm te redden. Korte tijd later verhuist de familie van Oeroeg. Ze gaan bij een familielid inwonen in een desa op de berg. Oeroeg gaat bij zijn achterneef, een huisjongen van de familie van de ik-figuur, inwonen. De ik-figuur en Oeroeg reizen nu samen met de trein naar Soekaboemi. Ze gaan nog wel naar verschillende scholen. De vader van de ik-figuur betaalt de schoolopleiding van Oeroeg.

Als de ik-figuur in de vierde klas van de lagere school zit, gaat zijn moeder weg. Volgens vader moet ze voor onbepaalde tijd op reis. Pas later beseft de ik-figuur de ware reden van haar vertrek.  Meneer Bollinger wordt vervangen door Gerard Stokman. De jongens kunnen goed met Gerard opschieten. Hij neemt hen regelmatig mee op expedities. Oeroeg en de ik-figuur bewonderen de jachthut in de bergen, die Gerard helemaal gerestaureerd heeft. Regelmatig neemt hij de jongens mee voor een varkensjacht. Daarbij worden ze begeleid door de koeli Ali.

De ik-figuur kan slecht met zijn vader overweg. Ze leven als vreemden naast elkaar. Vader begrijpt niet dat zijn zoon ontdekkingsreiziger wil worden. Een paar dagen voor zijn elfde verjaardag, praat vader met zijn zoon. Hij heeft enkele maanden verlof en wil gaan reizen. Vader denkt erover zijn zoon naar Nederland te sturen, zodat die naar de kostschool kan. De ik-figuur herinnert zich de verhalen van Gerard over Nederland en wil bij Oeroeg blijven. Na enkele woordenwisselingen wordt besloten dat de ik-figuur tot aan zijn toelatingsexamen voor de HBS in Indië kan blijven. De ik-figuur wordt in een huis in Soekaboemi ondergebracht. Hij wordt verzorgd door een voormalige Nederlandse verpleegster, genaamd Lida. De ik-figuur beseft dat zijn vader op deze manier probeert hem bij Oeroeg weg te houden. Hij is verbitterd en wil zo weinig mogelijk met zijn vader te maken hebben. De ik-figuur en Oeroeg spijbelen veel om bij elkaar te kunnen zijn. Na een paar maanden verhuist Oeroeg eveneens naar het pension van Lida. Oeroeg krijgt het schooladvies om naar de MULO of AMS te gaan. De vader van de ik-figuur denkt dat Oeroeg weinig beroepskansen heeft en weigert dan ook voor zijn opleiding te betalen. Lida raakt meer en meer op Oeroeg gesteld en besluit hem te helpen. Ze vertelt hem over het beroep van arts en Oeroeg is zeer enthousiast.

Na een jaar keert de vader van de ik-figuur terug. Hij is inmiddels getrouwd met Eugenie. Vader beslist dat de ik-figuur de zomervakantie moet doorbrengen op Kebon Djati. Oeroeg blijft in Soekaboemi. De ik-figuur heeft een hekel aan zijn stiefmoeder. Hij verafschuwt haar autoritaire gedrag ten opzichte van het personeel. Regelmatig ontsnapt hij om Oeroeg op te zoeken. Lida heeft inmiddels een pension in Batavia overgenomen en in september trekken zij en Oeroeg daar naartoe. Oeroeg gaat naar de MULO en de ik-figuur gaat in Batavia naar de HBS. De ik-figuur komt in een internaat terecht. Regelmatig brengt hij een bezoek aan het pension van Lida. Oeroeg krijgt meer en meer kenmerken van een Europese jongen. Hij wil nauwelijks nog herinnerd worden aan zijn verleden en praat alleen nog maar Nederlands.

De puberteit brengt de ik-figuur in verwarring. Hij heeft, in tegenstelling tot Oeroeg,  problemen om met meisjes om te gaan. Oeroeg en de ik-figuur praten over de toekomst. De ik-figuur wil ingenieur worden. Oeroeg wil naar de Nederlands-Indische Artsenschool in Soerabaja. Hij droomt ervan om naar Amerika te gaan, want daar wordt een mens niet beoordeeld op zijn ras en afkomst. Lida heeft intussen grote moeite met de opvoeding van Oeroeg. Ze zorgt ervoor dat hij opgenomen wordt in het internaat van de HBS, waar de ik-figuur ook woont. Oeroeg heeft grote problemen met de afwijzingen van de 'Europese' jongens. Hij voelt zich anders. In deze periode ontstaat een verwijdering tussen Oeroeg en de ik-figuur. Oeroeg bouwt een vriendschap op met een jongen van Arabische afkomst (Abdullah), die eveneens naar de NIAS gaat.

Een bezoek van de ik-figuur aan Kebon Djati loopt uit op een teleurstelling. Gerard is met verlof en moeder schrijft de ik-figuur waarbij ze doet alsof hij nog een kleine jongen is. De ik-figuur voelt zich zelfs een vreemde in het huis van Sidris (de moeder van Oeroeg). De volgende dag keert hij weer terug naar Batavia. Oeroeg studeert aan de NIAS en woont met Abdullah bij familie. Lida raakt meer en meer teleurgesteld in haar pensionverblijf en verlangt ernaar bij Oeroeg te zijn. Na enkele maanden verkoopt ze haar pension en verhuist ze naar Soerabaja. De ik-figuur heeft dan alleen nog maar via brieven contact met hen.

De ik-figuur slaagt op zeventienjarige leeftijd voor zijn eindexamen en bespreekt de toekomst met zijn vader. Hij wil graag ingenieur worden en gaat nog datzelfde jaar naar Delft om te studeren. Voor zijn vertrek gaat hij naar Soerabaja om afscheid te nemen van Oeroeg en Lida. De ik-figuur merkt dat nu alles anders is. De vertrouwelijkheid is er niet meer en het bezoek eindigt met een felle discussie over de Nederlandse onderdrukking.

Tijdens en na de beëindiging van zijn studie, denkt de ik-figuur veel na over het lot van Oeroeg, Lida, zijn vader en het gezin. Na de capitulatie van Japan hoort de ik-figuur dat zijn vader overleden is. Ondanks alle inspanningen kan hij geen contact krijgen met Oeroeg en Lida. De ik-figuur verlangt naar zijn geboorteland Indië. Hij solliciteert naar een betrekking en reist af naar Batavia. Tijdens een patrouille reist hij mee richting Kebon Djati. De thuiskomst is teleurstellend. De onderneming van zijn vader is volledig verwaarloosd en verwilderd. Het landschap geeft een spookachtige indruk. Alleen de bergen en het meer zijn nog hetzelfde gebleven. Plotseling hoort de ik-figuur een geluid naast zich. Hij draait zich om en kijkt recht in de ogen van Oeroeg. Oeroeg draagt een wapen en dreigt de ik-figuur neer te schieten. De ik-figuur beseft dat een gesprek niet mogelijk is. Als hij even omkijkt, is Oeroeg plotseling weer verdwenen. Later twijfelt de ik-figuur of het Oeroeg wel was.

1.       Verwachtingen
Ik had nog één boek nodig om mijn leeslijst mee aan te vullen en toen kwam dit boek in mij op, als zijnde het boekje dat iedereen leest om snel met zijn lijst klaar te zijn. Ik had willen voorkomen het boekje om de hiervoor genoemde reden te lezen, maar helaas.

2.       Motieven en thema
Het voornaamste thema is de vriendschap tussen Oeroeg en de ik-figuur. De vriendschap is gebaseerd op puurheid en kinderlijke eerlijkheid als ze nog klein zijn. Beiden beseffen in eerste instantie niet wat voor soort vriendschap ze hebben, dat het in de toekomst niet goed zou kunnen gaan. Ze horen bij elkaar, zo voelen ze dat. De vriendschap blijkt echter niet bestand tegen de veranderingen die de jongens doormaken tijdens hun pubertijd en studie. Daarnaast is “cultuurverschillen” een thema dat in dit boek naar voren komt. Een motief waardoor de vriendschap ophoudt te bestaan is  de discriminatie die speelt tussen de Nederlanders in Indië en de inlanders. Ook eenzaamheid is een motief. De ik-figuur voelt zich vaak alleen en Oeroeg is eigenlijk de enige die echt dichtbij hem staat. Zonder Oeroeg heeft hij niemand.

3.       Beoordeling
a.      Schrijfstijl
Hella Haasse gebruikt vrij korte en duidelijke zinnen. Wel staan er, als vanzelfsprekend, veel Indische woorden in het boek die nergens worden uitgelegd of vertaald. het is dan soms gissen wat ze nu precies betekenen, maar vaak wordt het door de context toch wel duidelijk.
b.      Inhoud
-          Vertelperspectief: Het verhaal wordt verteld door de ik-persoon van het verhaal. De lezer ervaart wat hij meemaakt en doet dat vanuit zijn perspectief en denkbeelden.
-          Tijd: De gebeurtenissen zijn één grote flash-back, maar worden chronologisch beschreven. Ze spelen zich af in de jaren '40 en '50. De totale vertelde tijd is ongeveer 15 jaar, beginnend bij het zesde levensjaar van de ik-figuur. De vertelde tijd eindigt als de ik-figuur naar Indië terugkeert, kort na het beëindigen van zijn opleiding in Delft. Hij is dan ongeveer 21 jaar.

4.       Eindoordeel




zondag 6 januari 2013

Leesverslag bij stromingsboek Ivoren Wachters van Vestdijk S.


Ivoren wachters
Simon Vestdijk, Ivoren wachters, 1951, uitgeverij de Bezige Bij, Epe, 228 blz. Psychologische roman

Samenvatting
De hoofdpersoon van het verhaal is Philip Corvage, een wees en hij zit in de zesde klas van het gymnasium. Philip woont bij zijn oom Selhorst, oud-commandant van de brandweer. Philip ruïneert zijn gebit door er noten met schaal mee te kraken en zijn oom weigert de nota's van de tandarts nog te betalen. De dag voor de nieuwe cursus verliest Philip weer een kies en krijgt kiespijn door teveel chocola te eten. De tandarts vult de kies en Philip betaalt hem met een sonnet over ´ivoren wachters van het maagdarmkanaal´. Als hij thuiskomt is zijn oom, die een beroerte heeft gehad en erg opvliegend is, onredelijk en Philip vlucht naar zijn kamer waar Nel hem troost.

De eerste dag van de nieuwe cursus wordt de nieuwe leraar Nederlands, Frits Schotel de Bie, door zijn verloofde Lida Feltkamp naar school gebracht. Lida is mooi en Frits, die wil promoveren op Jan van Boendale, is idealistisch en zelfingenomen. Tijdens de eerst les die hij aan klas VI A geeft, beledigt hij Philip door te zeggen dat hij zijn afgebrande kerkhof voor zich moet houden. De hele klas wacht op zijn excuses. Lida voelt zich buitengesloten, als ze ´s middags thee drinken, omdat Frits niets over school vertelt.

´s Avonds wil Philip naar Schotel de Bie toe maar hij gaat naar Lida en hij vertelt haar wat er gebeurd is. Hij eist dat Schotel de Bie voor de klas zijn excuses aanbiedt. Als Lida dit aan Frits vertelt, weigert hij en Lida loopt kwaad weg. Ze loopt door de stad met Philip en geeft hem een afscheidskus. Als hij thuiskomt, is zijn oom woedend omdat hij een brief van de tandarts heeft gekregen waarin staat dat het volgende consult gewoon betaald moet worden. Hij noemt Philip een oplichter, waarop Philip hem aanvliegt. Zijn oom krijgt een beroerte en Philip denkt dat hij dood is. Nel geeft Selhorst daarna een klap met een wandelstok op de kop waardoor hij overlijdt. Als hij zijn tante en de dokter heeft gewaarschuwd, gaat hij naar Lida en geeft haar er de schuld van dat hij zijn oom heeft vermoord. Philip stelt haar voor te vluchten, maar zij barst in lachen uit, Philip neemt afscheid en gaat naar Nel. Nel omhelst hem. De man van Nel, die thuiskomt, vertrouwt het niet en voert Philip dronken. Bij een kanaal duwt de chauffeur Philip het water in.

De volgende dag op school hoort Schotel de Bie dat Philip zelfmoord heeft gepleegd en dat hij daarvoor verantwoordelijk wordt gehouden. Hij maakt zijn excuses aan de klas. Frits raakt over zijn toeren, vooral nadat Lida de verloving verbreekt. Schotel de Bie wordt een bultenaar zonder levensvreugde die door de leerlingen niet wordt gewaardeerd en door zijn collega's niet voor vol wordt aangezien.

Bron: http://www.boekverslag.nl/Verslag/Ivoren+Wachters/


Specifieke opdracht: verwerkingsvragen
a.      Noteer puntsgewijs de kenmerken van je stroming. Wees zo volledig mogelijk.
Ivoren Wachters werd geschreven tijdens de oorlog, om precies te zijn in 1944. Het is daarom vanzelfsprekend dat het boek valt onder de stroming “Nieuwe Zakelijkheid”, die van ongeveer 1920 tot ongeveer 1940 loopt, echter heeft het boek ook veel karaktertrekjes van de stroming “Moderne Literatuur”. De belangrijkste kenmerken van respectievelijk Nieuwe Zakelijkheid  en Moderne Literatuur zijn:
-          De stroming Nieuwe Zakelijkheid richt zich vooral op de objectieve werkelijkheid. Logischerwijs verdwijnt subjectiviteit en de eigen interpretatie daardoor op de achtergrond. Daarnaast zijn actualiteit en belangstelling voor de eigen tijd belangrijk. Het leidt allemaal tot de genres literaire reportage, tijdsromans en het drama. Taal is functioneel en sober. De auteur wil zo nuchter mogelijk schrijven, zonder enige vorm van sentimentaliteit.
-          De stroming Moderne Literatuur is, zoals dat vaak is bij stromingen, een reactie op zijn voorganger, dus de Nieuwe Zakelijkheid. De nadruk ligt dus op:
                                                       I.            De subjectieve beleving, niet de objectieve buitenwereld.
                                                     II.            De ervaring van individuele personages, meer dan op sociale groeperingen.
                                                   III.            Subjectieve gevoelens en gedachten, in plaats van op het wereldgebeuren.

Verder is men negatief als het gaat om de vraag of wij “de wereld kunnen kennen”. Daarnaast wordt door een schrijver vaak de visies van verschillende personages op eenzelfde situatie gegeven, zodat de auctoriale verteller verdwijnt. Een vaak terugkerend motief is de onmogelijkheid van communicatie. He gevolg is dat de teksten lastiger worden door dialogen die niet samenhangen en het ontbreken van een centraal perspectief.

Deze stijlen vergelijkend zou ik dit boek, Ivoren Wachters, eerder plaatsen onder modernisme dan Nieuwe Zakelijkheid. De redenen zijn dat Vestdijk verschillende personages op de situatie neer laat kijken, subjectieve beleving toont en gevoelens en gedachten gebruikt in dit boek.

Bron: https://lic.ned.univie.ac.at/?str_id=14

b.      Licht de kenmerken die je bij a genoemd heb toe met voorbeelden uit de tekst, situaties uit de tekst of fragmenten.
Qua taal wordt gelijk duidelijk dat Ivoren Wachters tot  de Nieuwe Zakelijkheid behoort; er worden veel moeilijke woorden en dat leidt, zeker bij de jeugdige lezer, al gauw tot onbegrip en tot het verliezen van de draad van het verhaal. Bovendien maken de lange en moeilijke woorden tot onpersoonlijkheid in de manier van schrijven en laat dat nu juist zijn waar de Nieuwe Zakelijkheid om bekend staat. Verder zijn lange zinstructuren geen uitzondering, worden veel bijvoeglijke naamwoorden achter elkaar gebruikt en wordt hier en daar een Latijns citaat toegevoegd:
“Allemaal rood zag hij voor zich, zwaar verzadigd wijnrood, en daar doken gezichten in op:  Elly Temminck, met haar spitse kin vlak boven een rood tijdschrift, alsof zij met die kin uit een plas bloed dronk; en de oude heer, die zijn vulpen niet had willen geven, en de meid, die hen binnen gelaten had en die hij gezegd had, dat Elly zijn verloofde was, en Wim Perelaar en Han Temminck, die misschien nog buiten stonden, in een angstig-rode verwachting voor de stoep, en de tandarts en zijn vrouw op het schilderij, kleinburgerlijk gelikt, maar nu als besproeid met bloed door een satanistisch pointilist; en vele anderen. (Pag. 23).

Verder is het boek ook totaal niet bezig met toekomst of verleden; het verhaal, misschien is dit wel helemaal niet wat er mee bedoeld wordt hoor, vindt plaats vanaf een bepaald moment en begint dan als het ware te lopen en dan stopt het op een bepaald punt. Tussen die twee punten wordt je als lezer niet verplaatst naar toekomst of verleden. Het heden staat dus centraal.

Het probleem van het kiezen van een stroming bij dit boek zit hem hier in: de ervaringen van individuele personages spelen een grote rol, sociale groeperingen komen er geheel niet in voor. Er is in het boek wel sprake van de klas 6A, maar wat die vindt van hun docent etc. komt geheel niet aan bod; er zijn een aantal personen die uitvoerig belicht worden. Ook subjectieve gevoelens zijn dus belangrijker dan het wereldgebeuren.

c.       Leg uit in welke mate het door jou gekozen boek een exponent is van de desbetreffende stroming.
Al met al kan ik dus als leek geen duidelijk antwoord geven op deze vraag. Het boek is geschreven in zo’n overgangsperiode tussen twee stromingen en dat blijkt dus ook uit het boek zelf. Als ik op gevoel zou moeten afgaan, spreekt Moderne Literatuur mij toch gewoon meer aan.

zaterdag 5 januari 2013

Algemeen leesverslag bij Bezonken Rood van Jeroen Brouwers


Bezonken rood
Brouwers, Jeroen, Bezonken rood, 1981, uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, 152 blz. autobiografische oorlogsroman

Samenvatting
De gebeurtenissen in Bezonken rood spelen zich afwisselend af in het verleden en in het heden. Voor de duidelijkheid zullen in deze samenvatting de gebeurtenissen zoveel mogelijk in chronologische volgorde weergegeven worden.

Op een winterse dag in 1981 krijgt Jeroen een telefoontje. Het blijkt dat zijn moeder is overleden in het verzorgingstehuis. Naar aanleiding van het telefoontje komen er allerlei herinneringen bij Jeroen boven over het interneringskamp Tjideng. Na de inval van de Japanners in Nederlands-Indië, brengt hij er drie jaar van zijn leven door, samen met zijn grootmoeder, moeder en zusje. Het kamp staat onder leiding van Kenitji Sone. Vader verblijft in de oorlogstijd als krijgsgevangene in Japan. Jeroens twee oudere broers blijken, achteraf, op Java in mannenkampen opgesloten te hebben gezeten. Jeroen bewoont samen met de andere gezinsleden een gedeelte van een keuken. Als kind heeft moeite met bidden. Hij kan wel alle gebeden opzeggen, maar écht bidden doet hij nooit. Zijn moeder laat eveneens het bidden over aan andere mensen, waaronder haar eigen moeder. Jeroen kan alleen zien dat zijn oma nog leeft, als ze de kralen van de rozenkrans door haar vingers laat lopen. Dagelijks wordt Jeroen geconfronteerd met de dood en zelfs al vóór hij kan lezen, weet hij er alles vanaf. De vrouwen in het kamp worden mishandeld, vernederd en verkracht. Er zijn dagelijks appèls, waarbij alle vrouwen en kinderen worden geteld. Ze moeten bevelen opvolgen als: in de houding staan, buigen, blijven staan in gebogen houding, 'lang leve de keizer' roepen en met kwakende geluiden kikkeren (in hurkhouding kikkersprongen maken). Jeroen is, gelukkig voor zijn moeder, eenvoudig te herkennen tussen alle kleine kinderen. Hij draagt een tropenhelm, waar hij bijzonder trots op is.

Op zijn vijfde verjaardag, 30 april 1945, krijgt hij het boek Daantje gaat op reis. Aan de hand van dit boek leert zijn moeder hem lezen. Vier dagen later overlijdt Jeroens grootmoeder. In juni van dat jaar krijgt Jeroens zus dysenterie als ze met een rolschaats in het open riool terechtkomt. Ze wordt tot haar genezing opgenomen in het kampziekenhuis. Eind juli overlijdt Jeroens opa. In de eerste helft van augustus sterft Nettie Stenvert, Jeroens vriendinnetje. Jeroen heeft geen emoties meer en denkt alleen maar aan het inpikken van Netties pop. Om zelf in leven te blijven oefent hij elke dag de woorden, die zijn moeder hem leert. Iemand die stervende is, is niet meer in staat om de vliegen van zich af te slaan en daarom jaagt Jeroen elke dag op vliegen. Ze worden voor hem symbolisch voor de dood.

Begin augustus van 1945 worden twee atoombommen afgeworpen op Japan (Hirosjima en Nagasaki). Voor straf moeten de gevangenen twaalf uur in de houding staan en kikkeren. Al hun schamele bezittingen worden verbrand, maar Jeroen draagt zijn boek van Daantje onder zijn kleren. Het voedsel van een Rode Kruis-hulpwagen, wordt in een door de vrouwen gegraven gat geworpen. Jeroens moeder heeft stiekem rijst achter haar BH verstopt, maar wordt mishandeld zodra ze betrapt wordt. Hierover zegt hij: "Mijn moeder was de mooiste moeder, op dat moment hield ik op van haar te houden." Drie dagen lang krijgen de gevangenen geen eten of drinken. Op 2 september 1945 capituleert Japan, maar de gevangenen moeten nog enkele maanden in het kamp verblijven.

Na de oorlog wordt het gezin weer herenigd. Ze emigreren naar Nederland. Op 10-jarige leeftijd wordt Jeroen ondergebracht in kostscholen om opnieuw opgevoed te worden. Hij voelt zich verraden door zijn moeder en wenst haar dood.




Zes à zeven jaar vóór zijn moeders overlijden, ontmoet Jeroen een vrouw. Ze heet Liza en een uur na hun kennismaking gaan ze met elkaar naar bed. Liza loopt mee in de optocht, terwijl Jeroen vanuit het slaapkamerraam kijkt en denkt: "ik voel niets meer voor haar". Na een verblijf van drie dagen vertrekt hij om haar weer te vergeten. Een maand voor zijn moeders overlijden, ontmoet hij Liza opnieuw. Jeroen is dan inmiddels getrouwd en vader geworden van een dochter. Het gesprek is weinig diepzinnig. Jeroen vraagt zich intussen af hoe hij geworden is, zoals hij is.

De avond voor het overlijden van zijn moeder krijgt Jeroen bezoek van de schrijver Ger Verrips. Ze praten over literatuur en politiek. Later op de avond kijkt Jeroen TV. Hij ergert zich aan de Duitse nasynchronisatie van een Japanse film. Terwijl hij het eelt van zijn voeten vijlt, vraagt hij zich af waarom iedereen altijd denkt dat de Duitse onderdrukking 'erger' was, dan de Japanse.

Jeroen heeft al lange tijd geen contact meer met zijn moeder en wenst ook niet bij haar crematie aanwezig te zijn. Wel wil hij een uitgebreid verslag hebben van de plechtigheid. Jeroen besluit als hommage op het tijdstip van de crematie voor te lezen uit 'Daantje gaat op reis'. Hij kan het boek helaas niet meer vinden. Jeroen voelt zich ellendig en kan de gedachte aan zijn moeder niet van zich afzetten. Hij neemt een pil om wat te kalmeren en besluit dat hij zijn naam niet in de rouwadvertentie vermeld wil zien. Voor zijn gevoel is zijn moeder al lange tijd geleden overleden. Jeroen raakt verward. Hij herinnert zich de tijden met Liza en voelt zich opnieuw verliefd. Daarnaast heeft toch rouwgevoelens voor zijn moedere. Dit verwart hem. Eigenlijk wil hij helemaal niks voelen. Hij wacht bij de telefoon en hoopt dat zijn moeder belt, maar dan met de stem van Lisa.

Jeroen vraagt zich af naar welke televisieprogramma's zijn moeder heeft gekeken, kort voor haar overlijden. Hij krijgt wederom een telefoontje van het verzorgingstehuis. De persoon vraagt of hij belang heeft bij een erfstuk. Hij heeft geen belangstelling. Wel krijgt hij enkele weken later haar fotoalbums te zien. Om zijn gedachten te verzetten, rijdt Jeroen op de dag van de crematie uren rond. Als hij weer thuis komt, werkt hij verder aan zijn boek over zelfmoord in de Nederlandstalige literatuur.

Jeroen besluit een boek te schrijven over zijn tijd in Tjideng. Eigenlijk vindt hij dat hij geen boek màg schrijven over het leven in Tjideng, omdat hij daar een onbezorgde tijd heeft gehad. Hij was levenslustig en leed géén honger, omdat zijn moeder regelmatig eten smokkelde. De enige reden die hij noemt om dit boek te schrijven is 'octaviteit'.

Bron: http://www.boekverslag.nl/Verslag/Bezonken+rood/

1.      Verwachtingen
Het boek zelf kwam ik tegen op zo’n site met een overzicht van literatuur per niveau. Het boek stond op een stevige niveau 5, dus leek het me wel wat om te lezen. Verwachtingen had ik eigenlijk niet heel erg, maar ik wist wel dat het boek betrekking zou hebben op de gruwelheden op Indonesië. Verder had ik wel iets meer verwacht als het ging om literaire diepte, aangezien het bij niveau 5 werd ingedeeld.

2.      Motieven en thema
Moeder-zoon relatie:
Het hoofdthema in Bezonken rood is de moeder-zoon relatie. Deze is grotendeels verstoord en Jeroen is, mede daardoor, niet in staat om een duurzame liefdesrelatie met een vrouw aan te gaan.



Isolement:
Jeroen voelt zich op diverse manieren in de steek gelaten. Hij voelt zich verraden door zijn moeder, die hem naar kostscholen stuurt. De dichte mist, die regelmatig in het verhaal terugkeert, symboliseert zijn geïsoleerde gevoel.

Schuldgevoel:
Jeroen voelt zich medeplichtig aan alle gruwelijkheden in het interneringskamp, doordat hij er als kleuter bij heeft staan kijken. Hij heeft wroeging, omdat hij niet heeft ingegrepen. Hij geeft zelfs toe dat er niet ongelukkig is geweest en dat hij geen hongergevoelens heeft gehad.

Dood:
Op alle mogelijke manieren wordt de ik-figuur geconfronteerd met de dood. In zijn jeugdjaren ziet hij in Tjideng veel gevangenen mishandeld en vermoord worden. Zijn vriendinnetje en oma overlijden in het kamp. De dood van zijn moeder is de aanleiding tot alle herinneringen.

3.      Beoordeling
a.      Schrijfstijl
De auteur gebruikt weinig moeilijke woorden. Er zijn geen directe gesprekken en daardoor beleef je de gebeurtenissen eenzijdig, aangezien men het verhaal alleen maar beleeft door de woorden van Brouwers en tegelijkertijd wordt het verhaal, naar mijn mening, een tikje onbetrouwbaar, maar of dat een gegronde uitspraak is…
Verder gebruikt hij veel dubbelzinnigheid d.m.v. symbolen en uitdrukkingen, trouwens ook een aantal filosofische zinnen, waar je vaak goed over moet nadenken wil je de rest van het verhaal kunnen volgen.

Er aber, in seiner gewöhnlichen Art, hüllte sich in Geheimnisse, indem er mich mit grossen Augen anblickte und mir die Worte wiederholte: „Die Mütter! Mütter! 's klingt so wunderlich!“ (Pag. 152)

b.      Vertelperspectief
Bezonken rood is geschreven vanuit een ik-vertelsituatie. De ik-figuur speelt zelf de hoofdrol in zijn eigen verhaal. De auteur beweert dat al zijn werk autobiografisch is. Dit is ook precies waar Brouwers op een gegeven moment kritiek op heeft gekregen van ene Rudy Kousbroek ( vraag me niet hoe ik dit te weten ben gekomen). Volgens hem zat Bezonken Rood vol leugens en overdrijvingen. Het is een lastige discussie, aangezien Brouwers het verhaal natuurlijk niet geheel objectief vertelt. Hij heeft er zelf ooit middenin gezeten en dan is het logisch dat je dingen wat persoonlijker opvat en er al gauw wat meer superlatieven tegenaan gooit.

Personages
Hetgeen was mij het meest stoorde aan de personages in dit verhaal was het feit dat je ze maar heel oppervlakkig leert kennen; er worden immers slechts belangrijke stukjes uit hun leven verteld: het kamp, de kostschool, de relatie met Liza en de dood van zijn moeder. Verder was het lastig om Brouwers zelf te begrijpen, ervan uitgaande dat ook hij een personage in het verhaal is. Vooral de verbitterdheid omtrent de relatie met zijn moeder is lastig te begrijpen.





4.      Eindoordeel





Al met al vind ik Bezonken Rood van Jeroen Brouwers toch een bovengemiddeld boek. Het boek wordt alleen wel een beetje “afzijdig” beschreven, men leert de personages in zo’n geringe mate te kennen. Nu ik zo zit te typen zou dat natuurlijk ook een middel van Brouwers kunnen zijn om het verlaten gevoel dat hij heeft ook aan de lezer te geven. Dan zou het natuurlijk weer geniaal zijn.

De manier van schrijven is dan misschien niet prettig, maar is toch zeker wel origineel te noemen; er wordt vaak dubbelzinnigheid gebruikt waardoor een eigen interpretatie mogelijk is en de lezer een beetje in de war wordt gebracht. Toch moet ik wel te kennen geven dat het boek vooral in het begin langdradig is en niet lekker leest. Dit door de vele herhalingen en gebeurtenissen uit zijn leven en dus al die dubbelzinnigheid die hij gebruikt. Een ander te noemen punt van kritiek is dat je gemakkelijk over die dubbelzinnigheid heen leest, waardoor passages, maar ook het verhaal, later onbegrijpelijk worden.

Tenslotte vind ik het verhaal erg realistisch geschreven. Je krijgt een goed beeld van het leven in zo’n Jappenkamp.

zondag 3 juni 2012

Betoog Romantiek, "Camera Obscura", Hildebrand


Camera Obscura
Romantisch(?)

De Camera 0bscura was een reality soap. Het was natuurlijk geen televisieprogramma, maar er zijn wel veel gelijkenissen. Wat je voorgeschoteld krijgt, zijn een hele reeks situaties die soms dramatisch zijn, maar vaker nog grappig. Die situaties zijn geïnspireerd door echte gebeurtenissen. En ze gaan in de eerste plaats over gewone mensen. De Camera Obscura verscheen ook niet in één keer, maar het boek werd steeds opnieuw uitgegeven. En telkens – zoals bij een nieuwe aflevering van een soap – kwamen er van die situaties van gewone mensen bij. En net als sommige reality soaps kende de Camera Obscura een gigantisch succes. Niet voor enkele seizoenen, maar de hele negentiende eeuw lang. De laatste druk verscheen nog in 2002.[1]

De Romantiek
De stroming Romantiek valt misschien het best te omschrijven als een voortzetting van de religie met esthetische middelen. Anders gezegd: het gedachtegoed uit de Middeleeuwen (religie) gecombineerd met schoonheid.  Het is een stroming die zich sterk richt op de natuur. Nooit eerder in de geschiedenis, bij voorgaande stromingen, is de natuur in de literatuur zo overheersend aanwezig geweest. Verder werd de kunstenaar (en dus ook de auteur) gezien als een verheven persoon, een genie. Om de natuur een waardige omschrijving te geven, waarbij het gevoel een zeer belangrijke rol speelt, werd veel gebruik gemaakt van poëzie. De poëzie krijgt in de Romantiek dan ook een sterke impuls. Een ander zeer belangrijk aspect van de Romantiek is dat men voor het eerst in de geschiedenis op zoek gaat naar gemeenschappelijke kenmerken van de mens, maar ook naar wat ons verschillend maakt. Zo ontstaan het universalisme, de opvatting dat alle mensen gelijk zijn en samen een natie vormen, en het particularisme, de opvatting dat elk mens anders is. In het algemeen is te stellen dat de Romantiek zich kenmerkt door non-conformisme, zicht afzetten tegen het gewone leven via individualisme en opstandigheid en escapisme, vluchten uit het gewone leven.[2]

De Camera Obscura
De Camera Obscura is dus een verzameling van op opzichzelfstaande verhalen. Van die verhalen zij er twee zeker het noemen waard: “Een onaangenaam mens in de Haarlemmerhout” en “De familie Stastok.” In een onaangenaam mens in de Haarlemmerhout vertelt Hildebrand over zijn verre neef uit Amsterdam, genaamd Nurks. Drie jaar geleden kreeg hij plotseling een brief van hem, waarin hij aankondigt dat hij op bezoek zou komen. Eigenlijk had Hildebrand al andere plannen die dag, maar hij moest deze maar verplaatsen. Boerhave, de vriend waarmee Hildebrand had afgesproken, moest maar met hem en Nurks meegaan. Direct bij aankomst maakt Boerhave al kennis met de hatelijke uitspraken van Nurks. Na de koffiemaaltijd begeeft het gezelschap zich Houtwaarts, naar 'Stoffels'. Al snel heeft iedereen last van Nurks' gedrag. Gelukkig kunnen ze hem aan het einde van dag in een diligence weer huiswaarts sturen. Het verhaal van de familie Stastok gaat over Hildebrand, natuurlijk, die een tijdje bij zijn familie op bezoek komt.

Is Camera Obscura van Hildebrand, een pseudoniem voor Nicolaas Beets, nu kenmerkend voor de Romantiek? Is de tekst representatief voor het gedachtegoed van deze periode? Als het aan mij ligt niet. De Romantiek is een stroming die zich sterk richt op de natuur. Alles draait om het gevoel en de ervaring, waarbij het sublieme, niet in de hedendaagse betekenis, een van de hoofdthema’s is. Het is een periode waarin men alles wil begrijpen, maar ook realiseert dat men dat niet kan. Onze detectives, griezelverhalen en sciencefiction komen hier tot bloei, waarbij men andere werkelijkheden creëert. Dit principe kom je simpelweg niet tegen in Camera Obscura; dat is gewoonweg een beschrijving van ervaringen. Nu wil ik het geweldige werk van Beets niet afschrijven als niet-romantisch, want ik denk er wel degelijk een desbetreffend aspect in te zien: non-conformisme; Beets lijkt zich, in mijn ogen, met dit werk, te hebben willen afscheiden van wat gewoon was. Dit doet hij door ,in plaats van het boek vorm te geven zoals dat altijd gedaan wordt, dus een 431 pagina’s lang verhaal, meerdere, relatief kleinere, verhalen te vertellen. Hieruit blijkt volgens mij een soort individualisme en opstandigheid, waarmee Beets heeft geprobeerd om anders te zijn en te protesteren tegen de gewone gang van zaken.

Al met al beweer ik dus dat Camera Obscura van Nicolaas Beets niet kenmerkend is voor het gedachtegoed van de Romantiek. Dit vanwege het feit dat de nadruk niet ligt op de natuur of het gevoel. Volgens mij had Nicolaas Beets de volgende afslag genomen, het realisme, terwijl hij in zijn spiegel keek of er niets van achteren kwam.


[1] http://www.literatuurgeschiedenis.nl/lg/19de/tekst/lg19040.html
[2] “Vakspecifiek deel Nederlands; Renaissance, Verlichting en Romantiek”, p. 14-17

maandag 28 mei 2012

Betoog Verlichting, "De wiskunstenaars of 't gevluchte juffertje", Pieter Langendijk


 “De wiskunstenaars of ’t gevluchte juffertje”
Verlichtend(?)

Eelhart is een Amsterdams heer die verliefd is op de Utrechtse juffer Izabel. Izabel wordt door haar oom en voogd Anzelmus opgesloten, omdat die boos is over haar verbintenis met een voor hem onbekende jongen uit Amsterdam, Eelhart. Daarom moet ze trouwen met een jonge geleerde, Raabollius, maar Izabel vlucht met haar knecht Katrijn naar een herberg in Loenen. Anzelmus en Raasbollius zoeken vervolgens in Utrecht naar hen, maar dat levert niks op, dus gaan ze naar Amsterdam, aldus zij vermoeden dat Izabel naar haar minnaar is gevlucht. Onderweg zijn zij gedwongen te overnachten in een herberg. Eelhart is door gelijkende omstandigheden gedwongen tot hetzelfde lot met zijn knecht Filippijn. Izabel en Katrijn blijken ook te overnachten in de herberg. Een andere gast van de Waard is een dokter Urinaal. Hier vindt het verhaal plaats, “laat in den Avond”,  en wordt bepaald met wie Izabel haar leven gaat delen.

De Verlichting
De Verlichting kunnen we omschrijven als een progressieve stroming waarin allerlei nieuwe ideeën werden verkondigd. In de literatuur treffen we dit nieuwe eigenlijk alleen aan in de proza. In het toneel en de poëzie heerste het neoclassicisme: men volgde de “klassieke” regels, te denken aan de eenheid van tijd, plaats en handeling. Het is de tijd waarin geleerden met hun verstand proberen het in duisternis levende volk leiding te geven, een doel, en het te beschaven tot eveneens verstandige mensen. Daarbij wordt in veelvoud gebruik gemaakt van actuele kwesties om te laten zien hoe het wel moet en hoe niet, didactische voorbeelden dus. Welk middel diende dat doel beter dan het imaginaire reisverhaal, waarbij men een reis beschrijft die nooit heeft plaatsgevonden, maar waarin de schijn wordt opgehouden dat het om een echte reis gaat. Door de reis langs allerlei landen met verschillende bestuursvormen en naar ideale  werelden te laten gaan werd het didactische doeleinde vaak goed bereikt.[1]

De klucht
Is het boek “de wiskunstenaars of ’t gevluchte juffertje” van Pieter Langendijk representatief voor het gedachtegoed van de Verlichting, dat is de vraag waar ik een antwoord op hoop te kunnen geven.

In de eenakter lopen eigenlijk twee verhalen door elkaar. Aan de ene kant is er het verhaal van Eelhart en Izabel, die elkaar liefhebben, maar niet kunnen liefhebben. Aan de ander kant is er de verhitte discussie tussen dokter Raasbollius en Urinaal over een astronomische kwestie: draait de zon om de aarde of de aarde om de zon? Deze discussie is een prachtig voorbeeld van een didactisch-verlichtende discussie, waarmee Langendijk tracht een destijds lastige kwestie helder te krijgen voor het gewone volk; als Raasbollius en Urinaal namelijk naar buiten zijn gegaan om de eclips te zien, hoort de waard hun gesprek. Als hij later weer de herberg binnenkomt zegt hij: “Dat zyn eerst gekken van geleerden! Rechte suffers!  Zy staan daar allebei te tuuren naar de maan, en brabb’len taal, die hond of kat niet kan verstaan.” De waard representeert hier dus het onopgevoede volk, dat iets wordt geleerd, wat een belangrijk kenmerk is van de Verlichting.

In de discussie hangt Raabollius, een raasbol is een warhoofd, de Middeleeuwste theorie aan dat de aarde het middelpunt is het van het heelal, terwijl Urinaal de destijds moderne theorie van Copernicus aanhangt die beweert dat de zon het middelpunt is en dat de aarde om de zon draait.
Uiteindelijk wint Urinaal de discussie en draait Raasbollius door. De uitkomst van de discussie lijkt dus ook kritiek te bevatten op de Middeleeuwen.

Een klein puntje van kritiek op het verhaal, trouwens, is de rol van het toeval; op schijnbaar toevallige wijze komen alle personen van het kluchtspel op dezelfde avond in dezelfde herberg samen. Volgens de bijgevoegde inleiding is er door de jaren heen veel kritiek geweest op het gebruik van het toeval door Langendijk, niet alleen in dit werk trouwens.[2]  Zelf vind ik die kritiek ongegrond, omdat toeval iets is van het dagelijks leven, alleen valt het hier meer op, omdat het zoveel is in zo’n klein verhaal.

Verder is een zeer representatief kenmerk van deze eenakter de eenheid van tijd, plaats en handeling, wat zoveel inhoudt als dat het verhaal zich op één plaats afspeelt, een beperkt tijdsbestek heeft, meestal 24 uur en het plot één geheel vormt. Dit is goed terug te zien in het stuk, wat zich afspeelt op een avond in een herberg in Loenen en wordt beheerste door één intrige, de verliefdheid van Eelhart en Izabel.

Al met al kunnen we dus stellen dat “de wiskunstenaars of ’t gevluchte juffertje” van Pieter Langendijk zeer representatief is voor het gedachtegoed van deVerlichting. Dit omdat het onopgevoede volk wordt opgevoed, de Middeleeuwen belachelijk wordt gemaakt en er een duidelijke eenheid is van tijd, plaats en handeling.


[1] “Vakspecifiek deel Nederlands; Renaissance, Verlichting en Romantiek”, p. 11-12.
[2] “De wiskunstenaars of ’t gevluchte juffertje”, Pierter Langendijk, 1715, B.V.W.J. Thieme & Cie –Zutphen.

donderdag 23 februari 2012

Leesverslag bij stromingsboek; Boven is het Stil; Bakker, Gerbrand; Februari 2012

Leesverslag bij stromingsboek door Bas Klop
Bakker, Gerbrand; Boven is het stil; Amsterdam; maart 2006; 3de druk; 264 pagina’s; psychologische roman

Samenvatting
Deel I (blz. 7-69) : november tot kerst 2002
Helmer van Wonderen is een 55-jarige boer uit Waterland (weidegebied bij Amsterdam) die op de dag dat de roman begint zijn vader naar zijn eigen slaapkamer boven verhuist. Zelf neemt hij de slaapkamer van zijn vader beneden in gebruik. Zijn moeder is overleden en uit de reacties op de vragen van zijn vader, kan de lezer opmaken dat er een koele vader-zoonrelatie is ontstaan. Helmer geeft zijn vader herhaaldelijk te kennen dat hij niet zo moet zeuren. Helmer doet het werk op de kleine boerderij allemaal zelf: er zijn 23 schapen, enkele koeien en twee ezels. Van de koeien krijgt hij de melk die steeds door twee melkrijders wordt opgehaald: een vrolijke jonge melkrijder en een stuurse oudere melkrijder. Op “verrekijkerafstand” woont Ada, een ongeveer 35-jarige boerin (getooid met een hazenlip) die met een oudere man getrouwd is en twee kinderen (Teun en Ronald) heeft. De kinderen komen nogal eens op het erf bij Helmer. Soms doen ze verkeerde dingen (zetten het hek van de weide open waardoor de ezels kunnen ontsnappen) maar hij heeft geen hekel aan hen.

Het leven gaat zo zijn gangetje en via flashbacks komen we te weten dat Helmer in 1947 geboren is en de oudste van een tweeling was. Zijn broer Henk is op twintigjarige leeftijd bij een dom verkeersongeval om het leven gekomen. Zijn vriendinnetje Riet (een mooie blonde meid ) had net haar rijbewijs gehaald en wilde haar kunsten aan Henk vertonen. Op een smal weggetje was ze in de macht over het stuur kwijt geraakt en ze waren met de Simca van hun vader in het IJsselmeer terecht gekomen. Henk was daarbij verdronken. Na de begrafenis maakt Helmers vader korte metten met enkele zaken: Riet wordt uit het huis gezet en Helmer moet zijn studie Nederlands onderbreken en op de boerderij komen helpen. Zijn vader is geen gemakkelijke man en Helmer kon beter opschieten met zijn overleden moeder.

Ada komt nog wel eens op bezoek en heeft misschien wel een oogje op de vrijgezelle, maar knappe Helmer. Ook maakt ze Helmer jaloers met een verhaal van een boer uit de buurt die naar Denemarken wil verhuizen om daar zijn boerderij verder te zetten. (Jarno Koper) Samen bezoeken ze later ook de begrafenis van de oude melkrijder die aan een hartaanval gestorven is.

Maar ineens wordt dit toch vrij gezapige leventje van Helmer doorbroken. Riet (de vriendin van zijn overleden broer) neemt contact op door middel van een brief. Ze had al eens ’s nachts voor de boerderij gestaan (een figuur die Helmer niet had kunnen herkennen) en schrijft nu een brief, omdat ze wil weten wat er van hem geworden is. Haar echtgenoot uit haar huwelijk (een varkenshouder) is ruim een jaar dood en ze heeft drie kinderen van wie de zoon Henk niet helemaal deugen wil. Helmer reageert niet op de brief, maar dan komt er weken later weer een volgende, waarin ze hem echt uitnodigt contact met haar op te nemen omdat ze hem iets vragen wil. Intussen vermaakt Helmer zich met schaatsen wat hij ,vroeger toen hij klein was, van de boerenknecht Jaap heeft geleerd. Helmer heeft ook drie schapen verkocht en voor het geld een oude landkaart van Denemarken gekocht en ingelijst. Vaak staat hij naar de plaatsen op die landkaart te kijken: Denemarken heeft zijn verlangen naar een ander bestaan aangewakkerd.

Deel II (blz. 73-191): Nieuwjaarsdag tot 2003
Op Nieuwjaarsdag neemt Helmer telefonisch contact op met Riet. Ze keuvelen wat en Riet wil graag een keer op bezoek komen: ze heeft immers alle tijd en wil Helmer iets vragen. Helmer haalt haar af bij de veerpont over het IJ in Amsterdam en ziet dat Riet nog steeds een heel mooie vrouw is. Hij heeft tegen haar verteld dat zijn vader dood is, anders zou ze niet gekomen zijn. Vader moet zich tijdens het bezoek dan ook echt stil houden. Het bezoek is best aangenaam, al beschouwt Helmer het toch ook als inbreuk op zijn domein. Aan het einde van het bezoek vraagt Riet of Helmer haar wil helpen bij haar zoon Henk, die soms dagen zijn bed niet uitkomt. Ze weet niet wat ze met hem aan moet. Helmer belooft niets, maar na een paar dagen gaat hij toch een slaapkamertje in gereedheid brengen en eind januari komt Henk (18 jaar oud) toch op de boerderij. Hij moet Helmer helpen, dat gaat soms goed, maar er zijn ook dagen dat hij zijn bed niet uit wil komen. Tegen Henk heeft Helmer niet gezegd dat zijn vader dood is en op de eerste dag maken ze kennis met elkaar. De jongen moet wel wennen aan het leven op de verouderde boerderij (er moet met de hand gemolken en mest geruimd worden) en er is geen televisie. Helmer gaat die overigens wel na enkele dagen kopen en hij schaft meer dingen voor de jongen aan. Henk gaat wel leuk om met de beide buurjongens Teun en Ronald, maar heeft soms ook dagen dat hij niet te genieten is en zijn bed niet uit wil komen.

Intussen krijgen we ook weer enkele flashbacks uit Helmers jeugd. Hij had het als een breuk ervaren toen zijn broer Henk zijn aandacht meer gaf aan zijn vriendin Riet. Zo is Helmer er stiekem getuige van geweest dat Henk en Riet seks hadden En bij gebrek aan contact met zijn broer gaat hij met de knecht Jaap zwemmen wanneer het heel warm is. Die laat hem ook bier drinken.

Henk(de zoon van Riet) moet niet veel van de ezels hebben; Riet vertelt de reden daarvan door de telefoon. Toen hij klein was, is hij getrapt door een ezeltje dat zijn vader voor zijn zusjes had gekocht. Henk heeft ook gesprekken met de oude Van Wonderen en hij heeft een beetje medelijden met de oude man, die maar boven moet blijven liggen en moet afwachten totdat Helmer hem te eten geeft of op de wc zet. Op een morgen wil Henk weer zijn bed niet uit en dat levert een aanval van razernij bij Helmer op. De jongen schrikt daar wel van. Daarna is hij weer een aantal dagen heel behulpzaam.

De veehandelaar komt vertellen dat hij zijn bestaan eraan geeft: hij heeft lang genoeg gewerkt en gaat met pensioen: zijn eerste doel is naar Nieuw Zeeland reizen. Steeds meer mensen om hem heen nemen afstand van Helmer.
Henk vraagt of hij moet blijven en wil weggaan, maar dan neemt de bonte kraai wraak: hij pikt een hoofdwond bij Henk die in het ziekenhuis moet worden gehecht. In het laatste hoofdstuk van deel II gaat Helmer naar het land om zijn schapen te tellen: hij mist er één. Dat ligt in de sloot en hij doet een poging om het dier te redden, maar het schaap geeft niet mee en hij komt zelf in levensgevaar.

Deel III (blz. 195- 244) van maart tot  Pasen (april) 2003
Dit deel begint met een boze brief van Riet aan Helmer. Hij heeft gelogen tegen haar over de dood van zijn vader. Dat neemt ze hem erg kwalijk. Bovendien wil ze dat Henk bij haar terugkeert.
Het blijkt dat Henk Helmer op het laatste moment te hulp geschoten is en hem zo van de verdrinkingsdood heeft gered. Dat schept ook een betere verhouding tussen hen. Henk vertelt hem dat Riet met Helmer had willen trouwen en dat hij daarom als een soort proefkonijn dienst doet. Het wordt druk op de boerderij, want de schapen moeten hun lammetjes baren en Henk moet ook helpen. Maar opnieuw wil hij met de ezels niets van doen hebben. Hij blijft er bang voor. Helmer maakt ook de hechtdraden van de hoofdwond van Henk los. Het lijkt een symbolisch teken van onthechting. Zijn vader gaat steeds meer achteruit en op een dag legt Helmer een gedicht op zijn bed over het “verlangen en het najagen van geluk.” Later weet hij dat zijn vader het gedicht heeft gelezen, omdat hij er subtiel een regel uit citeert.
Later schrijft Helmer nog een antwoord aan Riet, maar de brief wordt nooit verstuurd omdat Henk die onderschept. Helmers vader denkt dat zijn einde komt en hij wil nog een hard gekookt ei eten. Hij geeft aan bij zijn vrouw en zoon begraven te willen worden: er is nog één plaats. Ook hier wordt Helmer dus later van zijn familie gescheiden: hij komt niet in het familiegraf te liggen.

Henk schiet met een geweer de volgende dag op de bonte kraai: hij doet dat op verzoek van  Helmers vader. Maar de kraai raakt niet gewond. Het is Henks laatste actie: hij verdwijnt uit Helmers leven.

Daarna wordt heel impliciet verteld dat vader Van Wonderen gestorven is. Symbolisch zet Helmer dan ook de staande klok van zijn vader stil. Het is Pasen 2003. Zijn vader wordt thuis opgebaard en Ada en haar zoontje komen kijken naar het lichaam. Ada lijkt zijn steun en toeverlaat op dit moment. Henk is naar Riet in Brabant vertrokken. Dan komt ineens Jaap, de boerenknecht, uit het verleden opduiken. Hij weet nog niet dat broer Henk gestorven is, omdat hij in 1966 in zijn werkmanshuis moest plaatsmaken voor het stel dat zou gaan trouwen.

Deel IV (blz. 247-264) Juni 2003
Helmer is met Jaap in Denemarken. Het is het land van zijn dromen en ze zwemmen weer samen zoals ze vroeger ook al deden. Ze zijn als het ware op vakantie.

Daarna vertelt Helmer in een flashback over de begrafenis van zijn vader. Hij vertelt ook over de bonte kraai die sinds november plaats had genomen op de tak voor hun huis om als een soort aanzegger van de dood te fungeren. Hij was ook door het geweerschot niet te verjagen geweest, maar nu Helmers vader dood is, vliegt de bonte kraai weg. Vader wordt in alle stilte begraven (Ada en de kinderen, Jaap, de jonge melkrijder zijn slechts aanwezig) Wel krijgt Helmer veel kaarten: niet van Riet, wel van haar zoon Henk. Helmer heeft intussen ook een deel van zijn vee aan een nieuwe opkoper verkocht, maar niet de schapen.

Het is Juni 2003. Twee weken ervoor is Helmer 56 geworden: hij gaat eerst naar het huisje van Jaap en daarna reizen ze door naar Denemarken. Jaap noemt Helmer steeds Ezelman, wat hij niet eens onprettig vindt. Ze nemen een lange tijd vakantie: Ada zal op de achtergebleven dieren passen. Het zijn twee oude mannen in een nieuw land.

In het laatste deel van de roman trekt Helmer er nog alleen op uit. Hij loopt naar het strand en staat moederziel alleen in het water, totdat de zon in de zee zakt. Daarna gaat hij op een klif zitten. Hij voelt dat er iemand achter hem staat en als hij achterom kijkt, ziet hij dat het een groot schaap is dat in zijn nek blaast. Het schaap blijft hem aankijken. Helmer weet dat hij alleen is.

Verwerkingsopdrachten
a.      Noteer puntsgewijs de kenmerken van je stroming. Wees zo volledig mogelijk.
Ik denk dat de stroming die het best bij dit boek past, de romantiek is:
-          Gevoelens worden belangrijker;
-          Fantasie ging een rol spelen, verbeelding;
-          Individualisme;
-          Natuur gaat een rol spelen;
-          Reizen;
-          Vluchten in het verleden, de toekomst, de dood, (zwarte) humor, natuur.
b.      Licht de kenmerken die je bij a genoemd hebt toe met voorbeelden en situaties uit de tekst, fragmenten en citaten.
-          Gevoelens
In het hele verhaal staat de relatie tussen Helmer en zijn tweelingbroer, Henk, centraal. Steeds komt naar voren dat Helmer het als een breuk ervoer toen Henk meer aandacht gaf aan zijn vriendin Riet dan aan hem. Verder loopt ook de relatie tussen Helmer en zijn vader als een rode draad door het verhaal. Het is alsof het verhaal steeds even onderbroken wordt door Helmers bezoek aan zijn vader. In het begin is hij nog zeer koel tegenover hem, maar naarmate het verhaal vordert wordt, voor mij tenminste, duidelijk dat Helmer nog veel om zijn vader geeft.
-          Fantasie, verbeelding
Vanaf het moment dat Ada hem verteld over een boer in de buurt die naar Denemarken verhuisd is, verlangd Helmer naar een nieuw leven in Denemarken. Hij koopt ergens in het verhaal ook een kaart van Denemarken en stelt zich voor hoe het daar zou zijn.
-          Individualisme
Helmer kwam voor mij vanaf het begin van het verhaal al over als een loner, iemand die graag op zichzelf is. Zelf denk ik dat dat op de een of andere manier uit zijn verleden komt, vooral via Henk en zijn ongelukkige dood. Zie hier trouwens ook de psychologische kant van deze roman. Verder is het ook de situatie waarin hij leeft; alleen, afgelegen wonend in een boerderij met een vader op zolder die er wel is, maar toch ook weer niet. Daarnaast wordt ook door het eind voor mij duidelijk dat individualisme hier wel degelijk voorkomt. Helmer zit op een klif/rots en beseft door dat schaap dat hij alleen is en er alleen voor staat. Voor mij wordt dit individualisme nog benadrukt door Riet en Henk, die gedurende een korte tijd in zijn leven verschijnen en dan weer weggaan om nooit meet terug te keren. Hieruit blijk toch dat Helmer er alleen voor staat?
-          Natuur
Dit vind ik terug in de omgeving waarin het verhaal zich voornamelijk afspeelt: de boerderij. Een paar keer staat Bakker stil bij de omgeving en geeft dan een beschrijving.
-          Reizen
Vanaf het moment dat Ada hem verteld over een boer in de buurt die naar Denemarken verhuisd is, verlangd Helmer naar een nieuw leven in Denemarken. Hij koopt ergens in het verhaal ook een kaart van Denemarken en stelt zich voor hoe het daar zou zijn. Uiteindelijk gaat hij ook op een lange reis naar Denemarken.
-          Vluchten
Het vluchten zie ik persoonlijk terug in de reis die Helmer aan het einde maakt naar Denemarken met de oude knecht. Hij vlucht hier als het ware even voor het leven.
c.       Leg uit in welke mate het door jou gekozen boek een exponent is van de betreffende stroming.
Al met al staat Helmer in het boek centraal. Meer specifiek gezegd: de emoties die Helmer heeft staan centraal. Wat in mijn ogen duidelijk naar boven komt is hoe hij zich eigenlijk bedrogen voelt door zijn broer en hoe hij het gevoel heeft er helemaal alleen voor te staat, wat zeker in het begin van het verhaal naar voren komt, als hij, vind ik, zeer pessimistisch is.
Hier zie je de Romantiek al in terug; het belang van de gevoelens. Een kleinere factor, maar wel één die in mijn ogen duidelijker naar voren komt, is zijn verlangen om te vluchten; hij wil graag naar Denemarken en er zijn verscheidene momenten in het verhaal dat Helmer, vlak voor hij naar bed gaat, nog even voor de kaart van Denemarken gaat staan en denkbeeldig door Denemarken heen struint. Hier zie je trouwens ook de factor reizen in terug, die een punt was van de Romantiek. Helmer is daarnaast ook zeer individueel ingesteld, mede omdat hij al het werk op de boerderij alleen moet doen. Dit verandert even als Henk op de boerderij komt, maar die gaat uiteindelijk weer weg en dit lijkt zijn individualisme alleen maar te benadrukken. Al met al zou dit boek dan een zogenoemd “exponent” moeten voorstellen van de romantiek, maar ik vind het ongelooflijk raar om dat zo vast te stellen, vooral omdat die stroming van zo lang geleden is. Ik vind het een beetje afgekraakt/zwak om dan aan de hand van deze gegeven punten te beweren dat het boek romantische invloeden heeft.

woensdag 4 januari 2012

Oordeelvorming; De Jacobsladder; 'T Hart, Maarten; Januari 2012.

De Jacobsladder
Maarten ’t Hart: De Jacobsladder,1986, Uitg. De Arbeiderspers te Amsterdam, 255 blz, Roman

Door Bas Klop

Samenvatting:
Het boek begint als Adriaan Vroklage naar een verre tante wordt gestuurd om melk en eieren te halen. Daar ontmoet hij Klaske, een verre nicht en zij beloven elkaar om later met elkaar te trouwen. Als hij daar gegeten heeft, gaat hij met de veerboot terug. Daar ziet hij allemaal oproer bij een aangemeerd fregat. Thuisgekomen denken zijn ouders dat hij tussen wal en schip is geraakt en helemaal vermorzeld is. Maar dan blijkt dat de dode jongen Jan Ruygveen is. Hij voelt zich schuldig, omdat hij niet dood is gegaan. Vanaf dan sluit hij uit boetedoening vriendschap met Anton Ruygveen, Jan’s broer. Eenmaal op de LTS, loopt de vriendschap tussen hem en Anton stuk; hun interesses verschillen te veel. Hendrikje, Anton’s zus, loopt van huis weg, omdat ze veel te streng behandeld werd door haar ouders. Als Adriaan van de LTS afkomt, wordt hij universeel- slijper. Daar gaat alles fout; een man overlijdt en Adriaan krijgt de schuld. Dan krijgt hij te horen dat Job, Anton’s oudere broer, zelfmoord heeft gepleegd, omdat het verlies van Hendrikje hem teveel werd. Adriaan gaat daarna bij de marine als wasser en maakt een tocht met een onderzeebootjager naar de West. Teruggekomen in Maassluis komt hij Klaske weer tegen, die verpleegster is. Via haar wordt Adriaan ook verpleger. Het boek eindigt ermee dat Adriaan in het verpleegtehuis
dhr. Ruygveen tegenkomt, die hem verteld dat zijn vrouw is overleden en dat Jan’s dood geen ongeluk was, maar zelfmoord. Dan beseft Adriaan dat hij tien jaar lang voor niets boete heeft gedaan.
Het hele boek is doordrenkt van het geloof. Er vinden allerlei kerkscheuringen en –samenvoegingen plaats.

Onderbouwing van mijn oordeel
Het boek, De Jacobsladder, is duidelijk geschreven door iemand met een religieus standpunt. Op internet stond dat het boek “doordrenkt was met het geloof”. Daar ben ik het, zij het ten dele, mee eens. Hierdoor staat het boek een stuk verder van mij af en leeft het in mijn ogen minder. Dit heeft weer tot gevolgd dat dit boek geen tot nauwelijks gevoelens bij mij oproept. Zo’n leven als Adriaan heeft is voor mij lastig voor te stellen en zo weet ik als het ware niet wat ik moet voelen. Natuurlijk zijn er wel gebeurtenissen die mij emotioneel enigszins bewogen; de eerste keer was bijna gelijk op het begin toen Adriaan zich verantwoordelijk voelde voor de jongen die tussen schip en wal was geraakt. Het is, tenminste voor mij, te begrijpen dat hij zich verantwoordelijk gaat voelen als zijn kop in de krant staat met de naam van die dode jongen. Ik kreeg wel een soort van medelijden met Adriaan en ging nadenken over hoe ik in zo’n situatie zou reageren. Dit is toch precies wat een boek je behoort te laten doen: je laten nadenken?

Of het verhaal mooi is of niet, dat ligt er maar aan. Het is goed geschreven en het taalgebruik is gevorderd. Daarnaast wordt er veel gebruik gemaakt van “religieuze termen”. Als je niet bekent bent met bijvoorbeeld de verschillende stromingen binnen de Nederlandse Kerk en de hiërarchie binnen de kerk en ander e termen die veel worden gebruikt binnen de Kerk dan raak je snel verdwaald. Men zou dus kunnen zeggen dat het verhaal mooi is, gebaseerd op het schrijven en het taalgebruik, maar men zou ook iets verder kunnen gaan door zichzelf af te vragen: begrijp ik het wel? Natuurlijk kun je Maarten het begrijpen niet verwijten en daarom is het een goed en “mooi” verhaal.

Naar mijn mening is er één standpunt van de auteur dat overheerst: de beschrijving, verklaring en toelichting over een buitengewoon strenge, compromisloze vorm van calvinisme, wat de auteur beschrijft met opmerkelijk veel waardering, met een ondertoon van verbazing en ironie.

 Het verhaal is op en top realistisch. Maarten ’t Hart beschrijft in dit boek een gebeurtenis uit zijn jeugd. Voor ons lijkt het misschien een verzonnen verhaal, maar toch is het, zij het moeilijk te geloven, werkelijkheid.

Het verhaal kent geen echte opbouw. Natuurlijk is er de duidelijke opbouw van 255 bladzijdes en twee verschillende delen genaamd “Een noodwoning voor God” en “Een marktgrond vol roerdompen” die respectievelijk dertien en veertien hoofdstukken tellen. Daarnaast wordt men meteen in het verhaal gegooid en moet men gaandeweg kennismaken met de verschillende personages. Samen met het lastige taalgebruik is het boek dus soms lastig te volgen. Daarmee bedoel ik niet zozeer de gebeurtenissen en waar Adriaan heen gaat enzovoort, maar meer de gevoelens en ideeën die lastig worden beschreven. De emotionele reis die je met de hoofdpersoon behoort te maken is zo lastig te volgen.

De bedoeling van het boek heeft, zoals te verwachten was, een religieus tintje. Het laat zien hoe het is om in een streng gelovige omgeving op te groeien en laat daarnaast ook nog een paart thema’s aan bod komen:
-          De Hemel. Dit is het paradijs, waarin Adriaan twee keer komt ( aan het begin en aan het einde van het boek). Ook gaat het om de manier hoe je er kunt komen, Ruygeveen en grootvader geven beide verschillende denkbeelden.
-          Er zijn verschillende ideeën in dit boek over hoe het leven geleefd moet worden. De grootvader van Adriaan zegt dat je alles moet accepteren zoals het komt en erom moet lachen. De oude Ruygeveen zegt echter dat je volgens de bijbel moet leven en dat van tevoren vaststaat of je in de hemel komt. Deze twee staan haaks op elkaar en aan het eind van het boek lijkt het alsof Maarten de oude Ruygeveen gelijk geeft ( dit kan ook zo lijken omdat deze het meest op ’t Harts eigen opvoeding lijkt ).

Door Bas Klop, klas 5A