zondag 13 januari 2013

Algemeen leesverslag bij Oeroeg van Hella S. Haasse


Oeroeg
Oeroeg, Haase, Hella S. 1948, Em. Querido’s Uitgeverij B.V, Amsterdam, 88 pagina’s, roman

Samenvatting
De ik-figuur denkt aan zijn jeugd in Nederlands-Indië.

De ik-figuur (zijn naam komen we niet te weten) speelt veel samen met de Indonesische Oeroeg. Het liefst spelen ze op de kampong bij het huis van Oeroeg. De vader van de ik-figuur vindt dat zijn zoon door zijn vriendschap met Oeroeg te weinig Nederlands praat. Ieder Nederlands woord wordt afgewisseld met een Soendanees woord. Vader en moeder besluiten dat de ik-figuur tot aan het schooljaar (hij is immers al zes jaar) enkele uren per dag privéles krijgt om zijn Nederlandse taal op te vijzelen. Oeroeg is erg nieuwsgierig naar de lessen en volgt ze dan ook via een open raam. De lessen van meneer Bollinger hebben resultaat, maar zelfs jaren later heeft de ik-figuur nog een Soendanees accent. De vader van de ik-figuur heeft liever dat zijn zoon niet meer op de kampong speelt. Oeroeg moet maar bij hun huis op Kebon Djati komen spelen. De ik-figuur speelt liever niet thuis, maar Oeroeg vindt het prima.

Er worden voorbereidingen getroffen voor het eerste schooljaar van de ik-figuur. Hij krijgt nieuwe kleren en schoenen. Van zijn vader krijgt hij een echte schooltas. De ik-figuur reist vanaf  nu iedere dag met de trein naar zijn school in Soekaboemi. Hij is wel teleurgesteld dat Oeroeg niet naar dezelfde school als die van hem gaat. De moeder van de ik-figuur verklaart dat dat logisch is, want Oeroeg is immers een inlandse jongen.

Op een dag krijgen Oeroegs ouders visite. De bezoekers, waaronder meneer Bollinger, dineren bij het gezin. Later wordt voorgesteld om een rit te maken naar Telaga Hideung (=het Zwarte Meer). De ik-figuur wordt enthousiast. Hij kent het Zwarte Meer alleen van spannende verhalen, waarin gesproken wordt over monsters en spoken. Bij wijze van uitzondering mag de ik-figuur mee. Onderweg worden Deppoh en de tuinman Danoeh met de auto opgepikt. Bij aankomst is de ik-figuur enigszins teleurgesteld. Het meer is niet zo eng als hij verwacht had. De heren nemen hun badkleding mee naar een bamboehuisje aan het water. De ik-figuur en de dames klimmen op een vlot, terwijl de heren zich in het bamboehuisje omkleden. Na een korte zwempartij klimmen de mannen ook op het vlot. De heren spelen haasje-over en willen jonassen. Door de wilde bewegingen van de volwassenen, scheurt het vlot en valt de ik-figuur in het donkere water....

De ik-figuur ontwaakt in zijn bed. Hij denkt dat hij alles gedroomd heeft, maar niets is minder waar. Na de val van het vlot is de ik-figuur bewusteloos te water geraakt. Deppoh is bij de reddingsactie om de ik-figuur te vinden, overleden . De ik-figuur voelt zich schuldig dat de vader van zijn beste vriend is gestorven om hèm te redden. Korte tijd later verhuist de familie van Oeroeg. Ze gaan bij een familielid inwonen in een desa op de berg. Oeroeg gaat bij zijn achterneef, een huisjongen van de familie van de ik-figuur, inwonen. De ik-figuur en Oeroeg reizen nu samen met de trein naar Soekaboemi. Ze gaan nog wel naar verschillende scholen. De vader van de ik-figuur betaalt de schoolopleiding van Oeroeg.

Als de ik-figuur in de vierde klas van de lagere school zit, gaat zijn moeder weg. Volgens vader moet ze voor onbepaalde tijd op reis. Pas later beseft de ik-figuur de ware reden van haar vertrek.  Meneer Bollinger wordt vervangen door Gerard Stokman. De jongens kunnen goed met Gerard opschieten. Hij neemt hen regelmatig mee op expedities. Oeroeg en de ik-figuur bewonderen de jachthut in de bergen, die Gerard helemaal gerestaureerd heeft. Regelmatig neemt hij de jongens mee voor een varkensjacht. Daarbij worden ze begeleid door de koeli Ali.

De ik-figuur kan slecht met zijn vader overweg. Ze leven als vreemden naast elkaar. Vader begrijpt niet dat zijn zoon ontdekkingsreiziger wil worden. Een paar dagen voor zijn elfde verjaardag, praat vader met zijn zoon. Hij heeft enkele maanden verlof en wil gaan reizen. Vader denkt erover zijn zoon naar Nederland te sturen, zodat die naar de kostschool kan. De ik-figuur herinnert zich de verhalen van Gerard over Nederland en wil bij Oeroeg blijven. Na enkele woordenwisselingen wordt besloten dat de ik-figuur tot aan zijn toelatingsexamen voor de HBS in Indië kan blijven. De ik-figuur wordt in een huis in Soekaboemi ondergebracht. Hij wordt verzorgd door een voormalige Nederlandse verpleegster, genaamd Lida. De ik-figuur beseft dat zijn vader op deze manier probeert hem bij Oeroeg weg te houden. Hij is verbitterd en wil zo weinig mogelijk met zijn vader te maken hebben. De ik-figuur en Oeroeg spijbelen veel om bij elkaar te kunnen zijn. Na een paar maanden verhuist Oeroeg eveneens naar het pension van Lida. Oeroeg krijgt het schooladvies om naar de MULO of AMS te gaan. De vader van de ik-figuur denkt dat Oeroeg weinig beroepskansen heeft en weigert dan ook voor zijn opleiding te betalen. Lida raakt meer en meer op Oeroeg gesteld en besluit hem te helpen. Ze vertelt hem over het beroep van arts en Oeroeg is zeer enthousiast.

Na een jaar keert de vader van de ik-figuur terug. Hij is inmiddels getrouwd met Eugenie. Vader beslist dat de ik-figuur de zomervakantie moet doorbrengen op Kebon Djati. Oeroeg blijft in Soekaboemi. De ik-figuur heeft een hekel aan zijn stiefmoeder. Hij verafschuwt haar autoritaire gedrag ten opzichte van het personeel. Regelmatig ontsnapt hij om Oeroeg op te zoeken. Lida heeft inmiddels een pension in Batavia overgenomen en in september trekken zij en Oeroeg daar naartoe. Oeroeg gaat naar de MULO en de ik-figuur gaat in Batavia naar de HBS. De ik-figuur komt in een internaat terecht. Regelmatig brengt hij een bezoek aan het pension van Lida. Oeroeg krijgt meer en meer kenmerken van een Europese jongen. Hij wil nauwelijks nog herinnerd worden aan zijn verleden en praat alleen nog maar Nederlands.

De puberteit brengt de ik-figuur in verwarring. Hij heeft, in tegenstelling tot Oeroeg,  problemen om met meisjes om te gaan. Oeroeg en de ik-figuur praten over de toekomst. De ik-figuur wil ingenieur worden. Oeroeg wil naar de Nederlands-Indische Artsenschool in Soerabaja. Hij droomt ervan om naar Amerika te gaan, want daar wordt een mens niet beoordeeld op zijn ras en afkomst. Lida heeft intussen grote moeite met de opvoeding van Oeroeg. Ze zorgt ervoor dat hij opgenomen wordt in het internaat van de HBS, waar de ik-figuur ook woont. Oeroeg heeft grote problemen met de afwijzingen van de 'Europese' jongens. Hij voelt zich anders. In deze periode ontstaat een verwijdering tussen Oeroeg en de ik-figuur. Oeroeg bouwt een vriendschap op met een jongen van Arabische afkomst (Abdullah), die eveneens naar de NIAS gaat.

Een bezoek van de ik-figuur aan Kebon Djati loopt uit op een teleurstelling. Gerard is met verlof en moeder schrijft de ik-figuur waarbij ze doet alsof hij nog een kleine jongen is. De ik-figuur voelt zich zelfs een vreemde in het huis van Sidris (de moeder van Oeroeg). De volgende dag keert hij weer terug naar Batavia. Oeroeg studeert aan de NIAS en woont met Abdullah bij familie. Lida raakt meer en meer teleurgesteld in haar pensionverblijf en verlangt ernaar bij Oeroeg te zijn. Na enkele maanden verkoopt ze haar pension en verhuist ze naar Soerabaja. De ik-figuur heeft dan alleen nog maar via brieven contact met hen.

De ik-figuur slaagt op zeventienjarige leeftijd voor zijn eindexamen en bespreekt de toekomst met zijn vader. Hij wil graag ingenieur worden en gaat nog datzelfde jaar naar Delft om te studeren. Voor zijn vertrek gaat hij naar Soerabaja om afscheid te nemen van Oeroeg en Lida. De ik-figuur merkt dat nu alles anders is. De vertrouwelijkheid is er niet meer en het bezoek eindigt met een felle discussie over de Nederlandse onderdrukking.

Tijdens en na de beëindiging van zijn studie, denkt de ik-figuur veel na over het lot van Oeroeg, Lida, zijn vader en het gezin. Na de capitulatie van Japan hoort de ik-figuur dat zijn vader overleden is. Ondanks alle inspanningen kan hij geen contact krijgen met Oeroeg en Lida. De ik-figuur verlangt naar zijn geboorteland Indië. Hij solliciteert naar een betrekking en reist af naar Batavia. Tijdens een patrouille reist hij mee richting Kebon Djati. De thuiskomst is teleurstellend. De onderneming van zijn vader is volledig verwaarloosd en verwilderd. Het landschap geeft een spookachtige indruk. Alleen de bergen en het meer zijn nog hetzelfde gebleven. Plotseling hoort de ik-figuur een geluid naast zich. Hij draait zich om en kijkt recht in de ogen van Oeroeg. Oeroeg draagt een wapen en dreigt de ik-figuur neer te schieten. De ik-figuur beseft dat een gesprek niet mogelijk is. Als hij even omkijkt, is Oeroeg plotseling weer verdwenen. Later twijfelt de ik-figuur of het Oeroeg wel was.

1.       Verwachtingen
Ik had nog één boek nodig om mijn leeslijst mee aan te vullen en toen kwam dit boek in mij op, als zijnde het boekje dat iedereen leest om snel met zijn lijst klaar te zijn. Ik had willen voorkomen het boekje om de hiervoor genoemde reden te lezen, maar helaas.

2.       Motieven en thema
Het voornaamste thema is de vriendschap tussen Oeroeg en de ik-figuur. De vriendschap is gebaseerd op puurheid en kinderlijke eerlijkheid als ze nog klein zijn. Beiden beseffen in eerste instantie niet wat voor soort vriendschap ze hebben, dat het in de toekomst niet goed zou kunnen gaan. Ze horen bij elkaar, zo voelen ze dat. De vriendschap blijkt echter niet bestand tegen de veranderingen die de jongens doormaken tijdens hun pubertijd en studie. Daarnaast is “cultuurverschillen” een thema dat in dit boek naar voren komt. Een motief waardoor de vriendschap ophoudt te bestaan is  de discriminatie die speelt tussen de Nederlanders in Indië en de inlanders. Ook eenzaamheid is een motief. De ik-figuur voelt zich vaak alleen en Oeroeg is eigenlijk de enige die echt dichtbij hem staat. Zonder Oeroeg heeft hij niemand.

3.       Beoordeling
a.      Schrijfstijl
Hella Haasse gebruikt vrij korte en duidelijke zinnen. Wel staan er, als vanzelfsprekend, veel Indische woorden in het boek die nergens worden uitgelegd of vertaald. het is dan soms gissen wat ze nu precies betekenen, maar vaak wordt het door de context toch wel duidelijk.
b.      Inhoud
-          Vertelperspectief: Het verhaal wordt verteld door de ik-persoon van het verhaal. De lezer ervaart wat hij meemaakt en doet dat vanuit zijn perspectief en denkbeelden.
-          Tijd: De gebeurtenissen zijn één grote flash-back, maar worden chronologisch beschreven. Ze spelen zich af in de jaren '40 en '50. De totale vertelde tijd is ongeveer 15 jaar, beginnend bij het zesde levensjaar van de ik-figuur. De vertelde tijd eindigt als de ik-figuur naar Indië terugkeert, kort na het beëindigen van zijn opleiding in Delft. Hij is dan ongeveer 21 jaar.

4.       Eindoordeel




zondag 6 januari 2013

Leesverslag bij stromingsboek Ivoren Wachters van Vestdijk S.


Ivoren wachters
Simon Vestdijk, Ivoren wachters, 1951, uitgeverij de Bezige Bij, Epe, 228 blz. Psychologische roman

Samenvatting
De hoofdpersoon van het verhaal is Philip Corvage, een wees en hij zit in de zesde klas van het gymnasium. Philip woont bij zijn oom Selhorst, oud-commandant van de brandweer. Philip ruïneert zijn gebit door er noten met schaal mee te kraken en zijn oom weigert de nota's van de tandarts nog te betalen. De dag voor de nieuwe cursus verliest Philip weer een kies en krijgt kiespijn door teveel chocola te eten. De tandarts vult de kies en Philip betaalt hem met een sonnet over ´ivoren wachters van het maagdarmkanaal´. Als hij thuiskomt is zijn oom, die een beroerte heeft gehad en erg opvliegend is, onredelijk en Philip vlucht naar zijn kamer waar Nel hem troost.

De eerste dag van de nieuwe cursus wordt de nieuwe leraar Nederlands, Frits Schotel de Bie, door zijn verloofde Lida Feltkamp naar school gebracht. Lida is mooi en Frits, die wil promoveren op Jan van Boendale, is idealistisch en zelfingenomen. Tijdens de eerst les die hij aan klas VI A geeft, beledigt hij Philip door te zeggen dat hij zijn afgebrande kerkhof voor zich moet houden. De hele klas wacht op zijn excuses. Lida voelt zich buitengesloten, als ze ´s middags thee drinken, omdat Frits niets over school vertelt.

´s Avonds wil Philip naar Schotel de Bie toe maar hij gaat naar Lida en hij vertelt haar wat er gebeurd is. Hij eist dat Schotel de Bie voor de klas zijn excuses aanbiedt. Als Lida dit aan Frits vertelt, weigert hij en Lida loopt kwaad weg. Ze loopt door de stad met Philip en geeft hem een afscheidskus. Als hij thuiskomt, is zijn oom woedend omdat hij een brief van de tandarts heeft gekregen waarin staat dat het volgende consult gewoon betaald moet worden. Hij noemt Philip een oplichter, waarop Philip hem aanvliegt. Zijn oom krijgt een beroerte en Philip denkt dat hij dood is. Nel geeft Selhorst daarna een klap met een wandelstok op de kop waardoor hij overlijdt. Als hij zijn tante en de dokter heeft gewaarschuwd, gaat hij naar Lida en geeft haar er de schuld van dat hij zijn oom heeft vermoord. Philip stelt haar voor te vluchten, maar zij barst in lachen uit, Philip neemt afscheid en gaat naar Nel. Nel omhelst hem. De man van Nel, die thuiskomt, vertrouwt het niet en voert Philip dronken. Bij een kanaal duwt de chauffeur Philip het water in.

De volgende dag op school hoort Schotel de Bie dat Philip zelfmoord heeft gepleegd en dat hij daarvoor verantwoordelijk wordt gehouden. Hij maakt zijn excuses aan de klas. Frits raakt over zijn toeren, vooral nadat Lida de verloving verbreekt. Schotel de Bie wordt een bultenaar zonder levensvreugde die door de leerlingen niet wordt gewaardeerd en door zijn collega's niet voor vol wordt aangezien.

Bron: http://www.boekverslag.nl/Verslag/Ivoren+Wachters/


Specifieke opdracht: verwerkingsvragen
a.      Noteer puntsgewijs de kenmerken van je stroming. Wees zo volledig mogelijk.
Ivoren Wachters werd geschreven tijdens de oorlog, om precies te zijn in 1944. Het is daarom vanzelfsprekend dat het boek valt onder de stroming “Nieuwe Zakelijkheid”, die van ongeveer 1920 tot ongeveer 1940 loopt, echter heeft het boek ook veel karaktertrekjes van de stroming “Moderne Literatuur”. De belangrijkste kenmerken van respectievelijk Nieuwe Zakelijkheid  en Moderne Literatuur zijn:
-          De stroming Nieuwe Zakelijkheid richt zich vooral op de objectieve werkelijkheid. Logischerwijs verdwijnt subjectiviteit en de eigen interpretatie daardoor op de achtergrond. Daarnaast zijn actualiteit en belangstelling voor de eigen tijd belangrijk. Het leidt allemaal tot de genres literaire reportage, tijdsromans en het drama. Taal is functioneel en sober. De auteur wil zo nuchter mogelijk schrijven, zonder enige vorm van sentimentaliteit.
-          De stroming Moderne Literatuur is, zoals dat vaak is bij stromingen, een reactie op zijn voorganger, dus de Nieuwe Zakelijkheid. De nadruk ligt dus op:
                                                       I.            De subjectieve beleving, niet de objectieve buitenwereld.
                                                     II.            De ervaring van individuele personages, meer dan op sociale groeperingen.
                                                   III.            Subjectieve gevoelens en gedachten, in plaats van op het wereldgebeuren.

Verder is men negatief als het gaat om de vraag of wij “de wereld kunnen kennen”. Daarnaast wordt door een schrijver vaak de visies van verschillende personages op eenzelfde situatie gegeven, zodat de auctoriale verteller verdwijnt. Een vaak terugkerend motief is de onmogelijkheid van communicatie. He gevolg is dat de teksten lastiger worden door dialogen die niet samenhangen en het ontbreken van een centraal perspectief.

Deze stijlen vergelijkend zou ik dit boek, Ivoren Wachters, eerder plaatsen onder modernisme dan Nieuwe Zakelijkheid. De redenen zijn dat Vestdijk verschillende personages op de situatie neer laat kijken, subjectieve beleving toont en gevoelens en gedachten gebruikt in dit boek.

Bron: https://lic.ned.univie.ac.at/?str_id=14

b.      Licht de kenmerken die je bij a genoemd heb toe met voorbeelden uit de tekst, situaties uit de tekst of fragmenten.
Qua taal wordt gelijk duidelijk dat Ivoren Wachters tot  de Nieuwe Zakelijkheid behoort; er worden veel moeilijke woorden en dat leidt, zeker bij de jeugdige lezer, al gauw tot onbegrip en tot het verliezen van de draad van het verhaal. Bovendien maken de lange en moeilijke woorden tot onpersoonlijkheid in de manier van schrijven en laat dat nu juist zijn waar de Nieuwe Zakelijkheid om bekend staat. Verder zijn lange zinstructuren geen uitzondering, worden veel bijvoeglijke naamwoorden achter elkaar gebruikt en wordt hier en daar een Latijns citaat toegevoegd:
“Allemaal rood zag hij voor zich, zwaar verzadigd wijnrood, en daar doken gezichten in op:  Elly Temminck, met haar spitse kin vlak boven een rood tijdschrift, alsof zij met die kin uit een plas bloed dronk; en de oude heer, die zijn vulpen niet had willen geven, en de meid, die hen binnen gelaten had en die hij gezegd had, dat Elly zijn verloofde was, en Wim Perelaar en Han Temminck, die misschien nog buiten stonden, in een angstig-rode verwachting voor de stoep, en de tandarts en zijn vrouw op het schilderij, kleinburgerlijk gelikt, maar nu als besproeid met bloed door een satanistisch pointilist; en vele anderen. (Pag. 23).

Verder is het boek ook totaal niet bezig met toekomst of verleden; het verhaal, misschien is dit wel helemaal niet wat er mee bedoeld wordt hoor, vindt plaats vanaf een bepaald moment en begint dan als het ware te lopen en dan stopt het op een bepaald punt. Tussen die twee punten wordt je als lezer niet verplaatst naar toekomst of verleden. Het heden staat dus centraal.

Het probleem van het kiezen van een stroming bij dit boek zit hem hier in: de ervaringen van individuele personages spelen een grote rol, sociale groeperingen komen er geheel niet in voor. Er is in het boek wel sprake van de klas 6A, maar wat die vindt van hun docent etc. komt geheel niet aan bod; er zijn een aantal personen die uitvoerig belicht worden. Ook subjectieve gevoelens zijn dus belangrijker dan het wereldgebeuren.

c.       Leg uit in welke mate het door jou gekozen boek een exponent is van de desbetreffende stroming.
Al met al kan ik dus als leek geen duidelijk antwoord geven op deze vraag. Het boek is geschreven in zo’n overgangsperiode tussen twee stromingen en dat blijkt dus ook uit het boek zelf. Als ik op gevoel zou moeten afgaan, spreekt Moderne Literatuur mij toch gewoon meer aan.

zaterdag 5 januari 2013

Algemeen leesverslag bij Bezonken Rood van Jeroen Brouwers


Bezonken rood
Brouwers, Jeroen, Bezonken rood, 1981, uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, 152 blz. autobiografische oorlogsroman

Samenvatting
De gebeurtenissen in Bezonken rood spelen zich afwisselend af in het verleden en in het heden. Voor de duidelijkheid zullen in deze samenvatting de gebeurtenissen zoveel mogelijk in chronologische volgorde weergegeven worden.

Op een winterse dag in 1981 krijgt Jeroen een telefoontje. Het blijkt dat zijn moeder is overleden in het verzorgingstehuis. Naar aanleiding van het telefoontje komen er allerlei herinneringen bij Jeroen boven over het interneringskamp Tjideng. Na de inval van de Japanners in Nederlands-Indië, brengt hij er drie jaar van zijn leven door, samen met zijn grootmoeder, moeder en zusje. Het kamp staat onder leiding van Kenitji Sone. Vader verblijft in de oorlogstijd als krijgsgevangene in Japan. Jeroens twee oudere broers blijken, achteraf, op Java in mannenkampen opgesloten te hebben gezeten. Jeroen bewoont samen met de andere gezinsleden een gedeelte van een keuken. Als kind heeft moeite met bidden. Hij kan wel alle gebeden opzeggen, maar écht bidden doet hij nooit. Zijn moeder laat eveneens het bidden over aan andere mensen, waaronder haar eigen moeder. Jeroen kan alleen zien dat zijn oma nog leeft, als ze de kralen van de rozenkrans door haar vingers laat lopen. Dagelijks wordt Jeroen geconfronteerd met de dood en zelfs al vóór hij kan lezen, weet hij er alles vanaf. De vrouwen in het kamp worden mishandeld, vernederd en verkracht. Er zijn dagelijks appèls, waarbij alle vrouwen en kinderen worden geteld. Ze moeten bevelen opvolgen als: in de houding staan, buigen, blijven staan in gebogen houding, 'lang leve de keizer' roepen en met kwakende geluiden kikkeren (in hurkhouding kikkersprongen maken). Jeroen is, gelukkig voor zijn moeder, eenvoudig te herkennen tussen alle kleine kinderen. Hij draagt een tropenhelm, waar hij bijzonder trots op is.

Op zijn vijfde verjaardag, 30 april 1945, krijgt hij het boek Daantje gaat op reis. Aan de hand van dit boek leert zijn moeder hem lezen. Vier dagen later overlijdt Jeroens grootmoeder. In juni van dat jaar krijgt Jeroens zus dysenterie als ze met een rolschaats in het open riool terechtkomt. Ze wordt tot haar genezing opgenomen in het kampziekenhuis. Eind juli overlijdt Jeroens opa. In de eerste helft van augustus sterft Nettie Stenvert, Jeroens vriendinnetje. Jeroen heeft geen emoties meer en denkt alleen maar aan het inpikken van Netties pop. Om zelf in leven te blijven oefent hij elke dag de woorden, die zijn moeder hem leert. Iemand die stervende is, is niet meer in staat om de vliegen van zich af te slaan en daarom jaagt Jeroen elke dag op vliegen. Ze worden voor hem symbolisch voor de dood.

Begin augustus van 1945 worden twee atoombommen afgeworpen op Japan (Hirosjima en Nagasaki). Voor straf moeten de gevangenen twaalf uur in de houding staan en kikkeren. Al hun schamele bezittingen worden verbrand, maar Jeroen draagt zijn boek van Daantje onder zijn kleren. Het voedsel van een Rode Kruis-hulpwagen, wordt in een door de vrouwen gegraven gat geworpen. Jeroens moeder heeft stiekem rijst achter haar BH verstopt, maar wordt mishandeld zodra ze betrapt wordt. Hierover zegt hij: "Mijn moeder was de mooiste moeder, op dat moment hield ik op van haar te houden." Drie dagen lang krijgen de gevangenen geen eten of drinken. Op 2 september 1945 capituleert Japan, maar de gevangenen moeten nog enkele maanden in het kamp verblijven.

Na de oorlog wordt het gezin weer herenigd. Ze emigreren naar Nederland. Op 10-jarige leeftijd wordt Jeroen ondergebracht in kostscholen om opnieuw opgevoed te worden. Hij voelt zich verraden door zijn moeder en wenst haar dood.




Zes à zeven jaar vóór zijn moeders overlijden, ontmoet Jeroen een vrouw. Ze heet Liza en een uur na hun kennismaking gaan ze met elkaar naar bed. Liza loopt mee in de optocht, terwijl Jeroen vanuit het slaapkamerraam kijkt en denkt: "ik voel niets meer voor haar". Na een verblijf van drie dagen vertrekt hij om haar weer te vergeten. Een maand voor zijn moeders overlijden, ontmoet hij Liza opnieuw. Jeroen is dan inmiddels getrouwd en vader geworden van een dochter. Het gesprek is weinig diepzinnig. Jeroen vraagt zich intussen af hoe hij geworden is, zoals hij is.

De avond voor het overlijden van zijn moeder krijgt Jeroen bezoek van de schrijver Ger Verrips. Ze praten over literatuur en politiek. Later op de avond kijkt Jeroen TV. Hij ergert zich aan de Duitse nasynchronisatie van een Japanse film. Terwijl hij het eelt van zijn voeten vijlt, vraagt hij zich af waarom iedereen altijd denkt dat de Duitse onderdrukking 'erger' was, dan de Japanse.

Jeroen heeft al lange tijd geen contact meer met zijn moeder en wenst ook niet bij haar crematie aanwezig te zijn. Wel wil hij een uitgebreid verslag hebben van de plechtigheid. Jeroen besluit als hommage op het tijdstip van de crematie voor te lezen uit 'Daantje gaat op reis'. Hij kan het boek helaas niet meer vinden. Jeroen voelt zich ellendig en kan de gedachte aan zijn moeder niet van zich afzetten. Hij neemt een pil om wat te kalmeren en besluit dat hij zijn naam niet in de rouwadvertentie vermeld wil zien. Voor zijn gevoel is zijn moeder al lange tijd geleden overleden. Jeroen raakt verward. Hij herinnert zich de tijden met Liza en voelt zich opnieuw verliefd. Daarnaast heeft toch rouwgevoelens voor zijn moedere. Dit verwart hem. Eigenlijk wil hij helemaal niks voelen. Hij wacht bij de telefoon en hoopt dat zijn moeder belt, maar dan met de stem van Lisa.

Jeroen vraagt zich af naar welke televisieprogramma's zijn moeder heeft gekeken, kort voor haar overlijden. Hij krijgt wederom een telefoontje van het verzorgingstehuis. De persoon vraagt of hij belang heeft bij een erfstuk. Hij heeft geen belangstelling. Wel krijgt hij enkele weken later haar fotoalbums te zien. Om zijn gedachten te verzetten, rijdt Jeroen op de dag van de crematie uren rond. Als hij weer thuis komt, werkt hij verder aan zijn boek over zelfmoord in de Nederlandstalige literatuur.

Jeroen besluit een boek te schrijven over zijn tijd in Tjideng. Eigenlijk vindt hij dat hij geen boek màg schrijven over het leven in Tjideng, omdat hij daar een onbezorgde tijd heeft gehad. Hij was levenslustig en leed géén honger, omdat zijn moeder regelmatig eten smokkelde. De enige reden die hij noemt om dit boek te schrijven is 'octaviteit'.

Bron: http://www.boekverslag.nl/Verslag/Bezonken+rood/

1.      Verwachtingen
Het boek zelf kwam ik tegen op zo’n site met een overzicht van literatuur per niveau. Het boek stond op een stevige niveau 5, dus leek het me wel wat om te lezen. Verwachtingen had ik eigenlijk niet heel erg, maar ik wist wel dat het boek betrekking zou hebben op de gruwelheden op Indonesië. Verder had ik wel iets meer verwacht als het ging om literaire diepte, aangezien het bij niveau 5 werd ingedeeld.

2.      Motieven en thema
Moeder-zoon relatie:
Het hoofdthema in Bezonken rood is de moeder-zoon relatie. Deze is grotendeels verstoord en Jeroen is, mede daardoor, niet in staat om een duurzame liefdesrelatie met een vrouw aan te gaan.



Isolement:
Jeroen voelt zich op diverse manieren in de steek gelaten. Hij voelt zich verraden door zijn moeder, die hem naar kostscholen stuurt. De dichte mist, die regelmatig in het verhaal terugkeert, symboliseert zijn geïsoleerde gevoel.

Schuldgevoel:
Jeroen voelt zich medeplichtig aan alle gruwelijkheden in het interneringskamp, doordat hij er als kleuter bij heeft staan kijken. Hij heeft wroeging, omdat hij niet heeft ingegrepen. Hij geeft zelfs toe dat er niet ongelukkig is geweest en dat hij geen hongergevoelens heeft gehad.

Dood:
Op alle mogelijke manieren wordt de ik-figuur geconfronteerd met de dood. In zijn jeugdjaren ziet hij in Tjideng veel gevangenen mishandeld en vermoord worden. Zijn vriendinnetje en oma overlijden in het kamp. De dood van zijn moeder is de aanleiding tot alle herinneringen.

3.      Beoordeling
a.      Schrijfstijl
De auteur gebruikt weinig moeilijke woorden. Er zijn geen directe gesprekken en daardoor beleef je de gebeurtenissen eenzijdig, aangezien men het verhaal alleen maar beleeft door de woorden van Brouwers en tegelijkertijd wordt het verhaal, naar mijn mening, een tikje onbetrouwbaar, maar of dat een gegronde uitspraak is…
Verder gebruikt hij veel dubbelzinnigheid d.m.v. symbolen en uitdrukkingen, trouwens ook een aantal filosofische zinnen, waar je vaak goed over moet nadenken wil je de rest van het verhaal kunnen volgen.

Er aber, in seiner gewöhnlichen Art, hüllte sich in Geheimnisse, indem er mich mit grossen Augen anblickte und mir die Worte wiederholte: „Die Mütter! Mütter! 's klingt so wunderlich!“ (Pag. 152)

b.      Vertelperspectief
Bezonken rood is geschreven vanuit een ik-vertelsituatie. De ik-figuur speelt zelf de hoofdrol in zijn eigen verhaal. De auteur beweert dat al zijn werk autobiografisch is. Dit is ook precies waar Brouwers op een gegeven moment kritiek op heeft gekregen van ene Rudy Kousbroek ( vraag me niet hoe ik dit te weten ben gekomen). Volgens hem zat Bezonken Rood vol leugens en overdrijvingen. Het is een lastige discussie, aangezien Brouwers het verhaal natuurlijk niet geheel objectief vertelt. Hij heeft er zelf ooit middenin gezeten en dan is het logisch dat je dingen wat persoonlijker opvat en er al gauw wat meer superlatieven tegenaan gooit.

Personages
Hetgeen was mij het meest stoorde aan de personages in dit verhaal was het feit dat je ze maar heel oppervlakkig leert kennen; er worden immers slechts belangrijke stukjes uit hun leven verteld: het kamp, de kostschool, de relatie met Liza en de dood van zijn moeder. Verder was het lastig om Brouwers zelf te begrijpen, ervan uitgaande dat ook hij een personage in het verhaal is. Vooral de verbitterdheid omtrent de relatie met zijn moeder is lastig te begrijpen.





4.      Eindoordeel





Al met al vind ik Bezonken Rood van Jeroen Brouwers toch een bovengemiddeld boek. Het boek wordt alleen wel een beetje “afzijdig” beschreven, men leert de personages in zo’n geringe mate te kennen. Nu ik zo zit te typen zou dat natuurlijk ook een middel van Brouwers kunnen zijn om het verlaten gevoel dat hij heeft ook aan de lezer te geven. Dan zou het natuurlijk weer geniaal zijn.

De manier van schrijven is dan misschien niet prettig, maar is toch zeker wel origineel te noemen; er wordt vaak dubbelzinnigheid gebruikt waardoor een eigen interpretatie mogelijk is en de lezer een beetje in de war wordt gebracht. Toch moet ik wel te kennen geven dat het boek vooral in het begin langdradig is en niet lekker leest. Dit door de vele herhalingen en gebeurtenissen uit zijn leven en dus al die dubbelzinnigheid die hij gebruikt. Een ander te noemen punt van kritiek is dat je gemakkelijk over die dubbelzinnigheid heen leest, waardoor passages, maar ook het verhaal, later onbegrijpelijk worden.

Tenslotte vind ik het verhaal erg realistisch geschreven. Je krijgt een goed beeld van het leven in zo’n Jappenkamp.